Biodiversiteit en waarom duiken in de Grevelingen ook leuk is!
Tekst en foto's door Peter H. van Bragt
Voorwoord
Het onderstaande is een samenvatting van de lezing over het onderwaterleven van de Grevelingen.
Samenvatting
We beginnen met de geschiedenis van de Grevelingen. Vervolgens wordt, met als rode draad het fenomeen "biodiversiteit", het voorkomen van een aantal dieren en planten in de Grevelingen beschreven. Als afsluiting wordt uitgelegd waarom de Grevelingen zo populair is bij de sportduikers voor het beoefenen van hun sport.
De geschiedenis van de Grevelingen
Zeeland, zoals wij het nu kennen, is nog maar een jong gebied. In het verleden speelden de natuurlijke elementen een grote rol in de geografie van deze streek. Slechts kleine stukken land waren onder controle van de mens en aan de invloed van de zee onttrokken.
Maar bij iedere zware storm moest deze grond meestal weer aan de golven worden teruggeven. Iedere tien jaar zag de landkaart er geheel anders uit. De grote St.-Felixvloed van 1530 en de stormvloed van 1953, met ongeveer 900 dodelijke slachtoffers in de provincie Zeeland, zijn er de getuigen van.
Na de laatste grote storm besloot de Nederlandse regering dat zuidwest Nederland nooit meer aan zo een ramp mocht worden bloot gesteld. De Deltawerken werden uitgevoerd, aanvangend met de afsluitingen van de Haringvliet en het Veerse meer (1961). In 1965 werd de Grevelingendam voltooid en verdween de aanvoer van zoetwater uit de Grevelingen. Een uniek brakwatermilieu in het oosten van de Haringvliet en de Grevelingen ging hiermee verloren. |
|
De kaart van zeeland over de periode van de laatste vijf eeuwen.
[Figuren : Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat
Zeeland]. |
| In 1971 werd de Brouwersdam voltooid en werd de Grevelingen met vaste dammen afgesloten. Tot dan toe waren de Grevelingen en de Oosterschelde vergelijkbare zeearmen. Met dit verschil dat het achterland van de Grevelingen nog een meer uniek brakwatermilieu kende en de Oosterschelde veel zouter was. Het grootste onmiddellijke gevolg hiervan was het wegvallen van de getijden. Alle planten- en diersoorten die hiervan afhankelijk zijn, kregen het moeilijk en verdwenen uit het nieuw ontstane meer. Het waterniveau werd vanuit Bruinisse op peil gehouden en langzaam daalde het zoutgehalte.
In 1978 werd de spuisluis in de westelijke Brouwersdam voltooid. In eerste instantie ontstonden hierdoor aanzienlijke spronglagen. Dit zijn waterlagen met een verschillende zoutconcentratie. We noemen dit ook wel haloclinen. Nu wordt door gereguleerd spuien het zoutgehalte op 32 promille gehouden. Begin van de jaren tachtig is er een hevelsluis in de oostelijke Grevelingendam gebouwd. Hiermee kon ook vanuit de Oosterschelde met zoutwater het waterpeil van de Grevelingen aangevuld worden. Pas in 1986 is definitief het besluit gevallen om de Grevelingen zout te houden. Nu wordt het zoute milieu uitsluitend met de spuisluis in de Brouwersdam in stand gehouden. Dit is voor het locale ecosysteem van belang omdat er daardoor een oost-west gradiënt in de biodiversiteit is ontstaan. |
 |
Biodiversiteit
Het natuurlijke verschijnsel van biodiversiteit wordt uitgedrukt in aantallen verschillende soorten planten en dieren. In het algemeen mag je stellen dat er meer biodiversiteit kan ontstaan als er een grotere variatie in de locale omstandigheden is en het betreffende gebied groter is.
Er spelen hierbij veel factoren een rol. Enkele voorbeelden zijn bodemgesteldheid, kwaliteit van water, temperatuur, licht, stroming. |
Maar ook de tijd die een ecosysteem heeft gehad om zich te ontwikkelen en de oppervlakte van het gebied bepalen mee de biodiversiteit. Verder is het van belang of een gebied al dan niet van zijn omgeving geïsoleerd is. De dynamiek en/of stabiliteit van al deze factoren hebben invloed op de biodiversiteit.
Veel dieren voelen zich optimaal thuis in slechts één type milieu. Als daar verandering in optreedt, verdwijnt de soort. We noemen deze soorten dan ook kritische soorten en hun aan- of afwezigheid zegt veel over het betreffende ecosysteem. Zo komt het Zuiderzeekrabbetje in Nederland uitsluitend in het brakke water van het Veerse Meer en het Noordzeekanaal voor en zien we sepia's en slangsterren wel in de Oosterschelde maar meestal niet in de Grevelingen.
Andere soorten zijn veel toleranter en komen in meerdere types milieu of onder sterk verschillende omstandigheden voor. Dit noemen we tolerante soorten. |
 |
Enkele typisch voorbeelden van tolerante soorten zijn de broodspons, de strandkrab, golfbrekeranemoon (ook wel baksteenanemoon genoemd) en de paling.
De laatste komt voor in zowel zoet, brak als zout water.
In de onderstaande tabel zijn een aantal van de milieubepalende factoren voor de Grevelingen en de Oosterschelde op een rijtje gezet.
|
Dynamische factor |
Grevelingen |
Oosterschelde |
Zoutgehalte |
32 promille |
33-35 promille |
Stroomsnelheid |
- |
0-3 zeemijl/uur |
Getijdenverschil |
- |
2,7 meter |
Voedingsstoffen |
- |
++ |
Helderheid |
2-10 meter |
20 cm tot 8 meter |
Spronglaag |
+ |
- |
Diepte |
Max. 45 meter |
Max. 50 meter |
Verschil minimum en maximum temperatuur |
+++ meer dan 20°C. |
++, circa 20°C. |
Aantal soorten organismen |
+ |
+++ |
Substraat/Bodem |
Basalt, kalksteen, fijn slib |
Basalt, kalksteen, grof
zand en slib |
|
Voor de Grevelingen zijn dus de grootste verschillen met de Oosterschelde het gebrek aan getijden en aan stroming. De andere verschillen zijn in belangrijke mate hiervan afgeleid. Door de beperkte stroming wordt er van nature geen sediment opgewoeld. Tevens kunnen in het stilstaande water diverse soorten filtervoeders, zoals schelpdieren en zakpijpen zich uitstekend handhaven. Vooral zakpijpen zien we op veel plaatsen massaal groeien. Hierdoor blijft het water voedselarm. Beide fenomenen hebben tot gevolg dat het water hier meestal erg helder is. Vooral in winterse perioden met weinig wind, als door de lage temperatuur het water extreem voedselarm is, kan het zicht oplopen tot soms meer dan 10 meter.
Door het goede zicht kunnen planten zich tot een behoorlijke diepte goed ontwikkelen en we zien dan ook in de bovenste 5 meter enorme dichte begroeiingen van diverse soorten algen en wieren. Aan de oostzijde van de Grevelingen waar het ondiep is, en daardoor niet geschikt voor de duiksport, kunnen we zelf nog zeegrasvelden aantreffen. Zeegras is de enige hogere plantensoort, die dus een bloeivorm kent, en in het Nederlandse zout water groeit. Algen en wieren behoren tot de lagere planten en hebben geen bloemen of zaden.
De flora en fauna van de Grevelingen
Kijken we naar de biologie van de Grevelingen, dan kunnen we dat in drie verschillende dimensies doen. Vanaf de kant en de oppervlakte kunnen we afdalen naar diepere waterlagen. Dit noemen we de verticale gradiënt. We kunnen vanaf de zeezijde (westen) landinwaarts naar het oosten reizen (horizontale gradiënt) en we kunnen de Grevelingen gedurende de vier jaargetijden bestuderen. De laatste variant heet de seizoensgradiënt.
In alle gevallen zal de duiker het meest geconfronteerd worden met planten en dieren die op of tegen de bodem aan groeien. De vastzittende organismen noemen we benthisch, terwijl de vrijzwemmende dieren pelagische dieren worden genoemd. Op en tegen de bodem en vooral als er een vast substraat, zoals basaltstenen, aanwezig is, is de biomassa het grootst. De bodem is dan ook het leefgebied van de meeste dieren en het domein van de sportduiker. Er zitten zeker ook veel pelagische vissen (o.a. steenbolk en haring) en kwallen in de Grevelingen maar mits ze niet dicht tegen de bodem aan zwemmen, zullen we ze als duiker niet vaak tegenkomen.
De verticale gradiënt wordt bepaald door enerzijds de aanwezigheid van zonlicht en hard substraat in de bovenste waterlagen en de afwezigheid hiervan in dieper water. Daar treffen we alleen maar heel fijn slib aan. Het zuurstofgehalte is in de diepere sliblagen veel lager dan aan het oppervlak en de temperatuur blijft er meestal ook lager.
Vanaf het moment dat we het hoofd onderwater steken, zien we dat ondiep de biomassa bijna volledig uit vele soorten algen en wieren bestaat. Het viltwier is een typische plant die zich in het stilstaande Grevelingen water beter thuis voelt dan in de Oosterschelde. Tussen de planten zien we diverse kleinere vissoorten zoals bijvoorbeeld de koornaarvis. Dit is een kleine haringachtige. Ook treffen we hier vaak vrijzwemmende aasgarnalen en ribkwalletjes aan.
De goed oplettende duiker kan zelfs een gelaagdheid zien in plantensoorten als hij aan het afdalen is. In de bovenste waterlagen staan vooral groenalgen en -wieren, terwijl op een paar meter diepte het meestal roodwieren zijn. Dit komt omdat de verschillende plantensoorten licht van verschillende golflengten gebruiken voor hun fotosynthese. Deze planten groeien niet, zoals de landplanten, met wortels in de bodem. Zij zijn afhankelijk van de aanwezigheid van substraat en groeien aangehecht op stenen, hout en bijvoorbeeld ook op schelpen. Zij zijn dus substraat afhankelijk. Op ondiepe plaatsen waar geen of weinig vast substraat is groeien veel minder planten en treffen we vooral bodem bewonende diersoorten als wormen, schelpdieren en slibanemonen aan.
Dieper dan 3 meter zien we dat de plantenrijkdom afneemt en de dieren langzaam het beschikbare substraat overnemen. In de Grevelingen zien we grote aantallen van meerdere soorten zakpijpen, zoals de solitair levende doorschijnende, ruwe en knotszakpijp en de kolonievormende zakpijpen als sterretje en Didemnum die. Ook een beperkt aantal schelpdieren zoals oesters en mosselen, diverse soorten sponzen (o.a. brood-, witte buisjes- en zakspons) en de moeilijk te determineren hydroïdpoliepen, treffen we op het aanwezige substraat aan, naast de substraatgebonden zeeanemonen zoals de golfbrekeranemoon en kleine zeeanjelieren. Tussen de vastzittende dieren zien we meerdere soorten bodembewonende vissen liggen of rondzwemmen (o.a paling, puitaal, zwarte grondel, botervis en de gewone zeedonderpad).
Krabben kunnen hier veel voedsel vinden en zijn in meerdere soorten aanwezig. Heel algemeen zijn in de Grevelingen de gewimperde zwemkrab en de strandkrab. Diverse soorten garnalen zoals de roodsprietgarnaal, en de gezaagde- en brakwatersteurgarnaal kunnen we hier regelmatig in grote aantallen aantreffen. De biodiversiteit is hier op zijn grootst, met tientallen diersoorten.
Dalen we nog verder af, dan komen we in de zuurstof arme waterlagen terecht waar, en dat is heel belangrijk, uitsluitend heel fijn slib en nauwelijks vast substraat aanwezig is. Hier zien we soorten die zich thuis voelen op en in de sliblaag en tolerant zijn voor het beperkte zuurstofaanbod. Planten komen we al helemaal niet meer tegen. Maar we treffen hier wel weekdieren aan zoals het Chinese muiltje en de gevlochten fuikhoren. De weduweroos is bijna exclusief de enige anemoon die hier kan overleven, en de gewone zeester is de enige algemene zeestersoort die we hier kunnen aantreffen. Van de krabben zijn de strandkrab en soms de gewone zwemkrab en de blauwpootkrab de meest voorkomende vertegenwoordigers op deze diepte.
De biomassa en de biodiversiteit is bijzonder laag. Het aantal diersoorten is hier meestal minder dan tien. |
| De horizontale gradiënt. Omdat de uitwisseling met vers zeewater beperkt blijft via de spuisluis in de Brouwersdam aan de Noordzeezijde, is er ook een beperkte biodiversiteitgradiënt ontstaan van west naar oost. Van de Brouwersdam tot aan Scharendijke kunnen we soms nog wel eens dieren aantreffen die via het spuien, vanuit de Noordzee, in de Grevelingen terecht zijn gekomen. Een snotolf of sepia is, in het juiste seizoen, bij het koepeltje geen ondenkbare gast en bij Scharendijke zien we regelmatig jonge schelvis en zeekreeften. Naar het oosten toe wordt de biodiversiteit lager. Bij Dreischor zal je zelden een verdwaalde Noordzeegast aantreffen. Die ontmoetingen worden steeds zeldzamer en tegen de Grevelingendam aan is de biodiversiteit in de Grevelingen op zijn laagst. Een goed voorbeeld hiervan is het van west naar oost afnemend voorkomen van de brokkelster in de Grevelingen. |
| De seizoensgradiënt van de Nederlandse kustwateren wordt bepaald door de extreem grote temperatuursverschillen tussen zomer en winter. Een verschil in watertemperatuur van meer dan 20°C komt regelmatig voor. Dit in tegenstelling tot de Atlantische kusten van West-Europa, met temperatuurverschillen van meestal niet meer dan 10-12 graden. Er zijn niet veel dieren en planten die deze grote temperatuurverschillen kunnen overleven. Gedurende strenge winters verdwijnen bijvoorbeeld de brokkelsterren, hooiwagenkrabben en fluwelen zwemkrabben volledig uit Zeeland. |
| Op de Noordzee waar het temperatuursverschil veel kleiner blijft overleven deze soorten de strenge winters. Vervolgens kunnen in de Oosterschelde, via zijn open verbinding met de Noordzee, in het volgende voorjaar en de zomer deze soorten snel weer terugkomen. Door de afsluiting met de dammen zal dat in de Grevelingen veel langzamer gebeuren en kan het soms meerdere jaren duren voordat de hooiwagenkrab hier weer terug komt. |
|
 |
| We mogen stellen dat in de Grevelingen een beperkt aantal organismen leeft die allen tolerant zijn voor extreme temperatuurverschillen. De andere soorten kunnen zich hier niet permanent vestigen. |
| Tevens mogen we vaststellen dat de oppervlakte van het ecosysteem van de Grevelingen beperkt is tot haar eigen oppervlakte. Er is nauwelijks uitwisseling met de Noordzee of Oosterschelde. In tegenstelling tot het ecosysteem van de Oosterschelde dat veel groter is en ook nog eens intensief gebruik maakt van de Noordzee met een uitwisseling van circa 1.000.000.000 kubieke meter zeewater per getijde. |
|
 |
| Op haar beurt is de Noordzee ook relatief klein. De Atlantische kustwateren zijn qua oppervlakte enorm groot en kennen natuurlijk ook een grote uitwisseling met de oceanen zelf. Daar zien we dan ook een biodiversiteit die nog veel groter is dan in onze Noordzee. In het Veerse Meer met haar zeer beperkte oppervlakte is het aantal planten en dieren juist weer kleiner dan in de Grevelingen. |
| De oppervlakte heeft dus een grote invloed op de biodiversiteit. In de Oosterschelde komen van alle diergroepen (o.a vissen, sponzen, schelpdieren, zeenaaktslakken, krabben, garnalen, mosdiertjes, zeesterren, hydroïdpoliepen, etc.) meer soorten voor dan in de Grevelingen. Maar gelukkig treffen we hier van alle diergroepen toch nog wel meerdere vertegenwoordigers aan. |
|
 |
 |
|
Stroming en getijden zijn ook van belang voor het ecosysteem en de
organismen die in de Grevelingen leven. De opmerkelijke helderheid en
het voedselarme karakter van het Grevelingenwater hebben hun oorsprong
in de afwezigheid van stroming en getijden. Hierdoor ontstaat de
karakteristieke zuurstofarme diepere water- en sliblaag met haar
specifieke diersoorten. |
| Maar er zijn ook diersoorten die zich voor wat betreft aantallen en
anatomie (vorm) anders ontwikkelen in stromend water dan in stilstaand
water. De mooiste voorbeelden hiervan zijn de geweispons en de
zeeanjelier. In de stroming van de Oosterschelde is de vorm van de
geweispons vaak erg massief en gedrongen. In het stilstaande water van
de Grevelingen zien we de geweispons meestal als een langgerekte spons
met dunne takken.
Stroming en getijden zijn ook van belang voor het ecosysteem en de
organismen die in de Grevelingen leven. De opmerkelijke helderheid en
het voedselarme karakter van het Grevelingenwater hebben hun oorsprong
in de afwezigheid van stroming en getijden. Hierdoor ontstaat de
karakteristieke zuurstofarme diepere water- en sliblaag met haar
specifieke diersoorten. Maar er zijn ook diersoorten die zich voor wat
betreft aantallen en anatomie (vorm) anders ontwikkelen in stromend
water dan in stilstaand water. De mooiste voorbeelden hiervan zijn de
geweispons en de zeeanjelier. In de stroming van de Oosterschelde is de
vorm van de geweispons vaak erg massief en gedrongen. In het stilstaande
water van de Grevelingen zien we de geweispons meestal als een
langgerekte spons met dunne takken (zie de afbeeldingen). |
Dit zien we ook aan de broodspons die in de Oosterschelde typisch korstvormig is en in stilstaand water tot grotere driedimensionale structuren kan uitgroeien. De zeeanjelier is in de Grevelingen massaal maar solitair aanwezig en blijft meestal erg klein (enkele centimeters), terwijl hij in de Oosterschelde vaak in grote clusters groeit met individuen van vaak meer dan 20 centimeter groot. De golfbrekeranemoon kan juist in de Grevelingen groter worden dan in de Oosterschelde. De brokkelster is een fraai voorbeeld van hoe dieren in aantal zich kunnen aanpassen aan verschillen in stroming en getijden. In de monding van de Oosterschelde komt de soort massaal, als vaste vloerbedekking voor. In de oostelijke Oosterschelde en de Grevelingen, waar het veel minder of niet stroomt, komt de brokkelster ook voor maar altijd in veel kleinere aantallen.
Bij de zakpijpen zien we dat de doorschijnende en de ruwe zakpijp het in de Grevelingen beter doet dan in de Oosterschelde. Voor de knotszakpijp lijkt het juist omgekeerd te zijn.
Tubularia, een hydroïdpoliep, is een liefhebber van stroming en treffen we massaal aan van de monding van de Oosterschelde tot aan de Zeelandbrug. In de Grevelingen zien we slechts zelden individuen van deze soort. |
Nog een factor voor de biodiversiteit van de Grevelingen!
Mogen we de duikers ook tot de fauna van de Grevelingen en Oosterschelde rekenen? Zo ja (grapje) dan kunnen we de verspreiding van duikers over Zeeland verklaren door de geografische ligging van de verschillende duikgebieden en de herkomst van de sportduikers. Als je naar de duikers in de Grevelingen (en aan de noordzijde van de Oosterschelde) kijkt dan zijn het vooral Nederlanders en Duitsers. Kijk je echter naar de duikers aan de zuidzijde van de Oosterschelde dan zijn het vooral Belgen en slechts een paar Nederlanders. De oorzaak hiervan is natuurlijk de geografische ligging van deze duikstekken. Voor de Belgen is Wemeldinge en het Sas van Goes minder ver om te rijden dan de Grevelingen. De meeste Nederlandse duikers hoeven minder ver te rijden als ze bij de Zuidbout of Zierikzee en in de Grevelingen gaan duiken.
Natuurlijk is de geografische ligging van een ecosysteem ook een bepalende factor voor de biodiversiteit! De Rode Zee lijkt in de verste verte niet op de Oosterschelde. Maar de Zeeuwse wateren liggen zo dicht bij elkaar dat we hier niet geen verschillen zien als gevolg van de geografische ligging van de diverse wateren. |
Waarom is duiken in de Grevelingen dan zo leuk?
Allereerst komt dit natuurlijk door het bijna altijd aanwezige heldere water. Zelfs de klassieke algenbloei die meestal in mei het Oosterschelde water in erwtensoep verandert, komt hier niet voor. Dit wordt weer veroorzaakt door het voedselarme water. Er stroomt geen rivierwater naar de Grevelingen en al die filtervoeders houden het water schoon en voedselarm. |
|
 |
De afwezigheid van stroming maakt het duiken in de Grevelingen relatief veilig en mogelijk op ieder moment van de dag. Maar de Grevelingen is ook een fantastisch laboratorium om het fenomeen biodiversiteit en het dynamisch gedrag van planten en dieren in ecosystemen te bestuderen. Het is een beetje voorspelbaar wat je aan planten- en diersoorten kunt tegenkomen, maar vooral aan de westzijde kunnen via het spuien, uit de Noordzee geïntroduceerde dieren regelmatig tot aangename en verrassende ontmoetingen zorgen. En net als in de Oosterschelde zijn hier de nachtduiken het meest spectaculair. Door gebruik te maken van duiklampen en de afwezigheid van (strooi-)daglicht lijkt het water nog helderder. 's Nachts komen heel veel lagere diersoorten zoals bijvoorbeeld garnalen massaal uit hun schuilplaats naar buiten. De biodiversiteit is 's nachts dan ook beduidend anders dan overdag. |
| Ik wens alle duikers veel plezierige, interessante en veilige duiken toe in de Grevelingen.
Peter H. van Bragt
Vanbragt.phjm@hsbrabant.nl |
Home | Prikbord
(forum) | Vraag info
| Biologie | Gastenboek
| Zoeken
Deze website komt het best tot
zijn recht bij een resolutie van 1280 x 1024 pixels
|