Ik heb iets gezien, maar wat?
Een heleboel duikers kunnen hetgeen ze onder water gezien hebben
niet bij naam noemen. Sommigen doen wel eens een poging, maar
slaan dikwijls de bal mis.
Dat onderwaterbezoekers niet alle dieren kennen die ze tegenkomen
is te begrijpen, er zijn er immers zoveel. Maar sommige dieren
zou je toch wel moeten herkennen, zeker als je ze reeds verscheidene
keren tegengekomen bent in je vertrouwde Oosterschelde.
Harders of zeebaars
Regelmatig hoor je meldingen over harders of zeebaarzen die men
gezien heeft. Maar dikwijls denkt men een zeebaars gezien te hebben
terwijl het eigenlijk een harder was. Het omgekeerde komt natuurlijk
ook voor.
Soms lijkt het gemakkelijk: de grote vissen die men in een haven
(met zout of brak water) ziet zwemmen, zijn meestal harders. In
of boven wrakken komt men dan weer, naast kabeljauw en steenbolk,
regelmatig zeebaars tegen. Maar soms klopt deze regel niet helemaal.
In de haven van bvb. Neeltje Jans (Oosterschelde) houden zich
ook wel eens jonge zeebaarzen op. En op sommige wrakken, zoals
ik onlangs nog opgemerkt heb tijdens een prachtige nachtduik op
de Cargo Scotia (Noordzee), huizen harders en zeebaarzen broederlijk
naast elkaar.
Als je de vissen naast elkaar ziet, zoals op dat wrak, merken
de meeste duikers wél verschillen op tussen beide soorten. Maar
welke van de twee nu de harder of de zeebaars is, is vaak een
gok. Het argument dat harders solitair leven en zeebaarzen in
scholen, gaat ook niet op; zowel de oudere exemplaren harders
en zeebaarzen leven solitair, maar de jongen leven in scholen.
Hoe hou je ze nu uit elkaar? Tijd om ze nauwkeurig te bestuderen
heb je meestal niet tijdens een duik; ze zwemmen immers meestal
snel en op enige afstand voorbij, zodat je ze niet goed kunt waarnemen.
Toch kan men ze duidelijk van elkaar onderscheiden als je weet
hoe ze zich gedragen en welke duidelijke kenmerken ze hebben.
Zo zijn harders vrij schuchter en zeer moeilijk te benaderen.
Zeebaarzen daarentegen zijn vrij nieuwsgierig, maar blijven toch
op een redelijke afstand van de duiker verwijderd.
Tijdens nachtduiken, als de vissen in een slaaptoestand verkeren,
kan je soms oog in oog met de vissen komen te staan. Dit is het
ideale moment om ze goed te bestuderen. De opvallendste kenmerken
kan je duidelijk op de tekeningen zien.
Dunlip- en diklipharders
Harders zijn bestand tegen brak en vervuild water (strandmeren,
riviermondingen en havens). Er zijn verschillende soorten harders.
In Europa komen er wel 8 verschillende soorten voor, maar de harder
die we in de Oosterschelde zien is de diklipharder (Chelon labrosus).
Heel uitzonderlijk kan men de dunlipharder (Liza ramada) in Zeeland
waarnemen. Het verschil tussen de dik- en dunlipharder is o.a.
duidelijk te zien aan de onderkant van de bek, maar daarvoor moet
je hem bijna in je handen kunnen houden. En dat kan je wel vergeten
tijdens je duik.
Het meest opvallendste verschil tussen beide harders is dat de
dunlipharder een zwarte vlek op de basis van de borstvin heeft.
Verder heeft de dunlipharder een grijsblauwe rug. De flanken zijn
zilverachtig met grijze lengtestrepen en de buik is zilverwit.
De diklipharder dankt zijn naam aan de dikke bovenlip, die hoger
is dan de straal van zijn oog. De bek is klein en de bekopening
komt bij lange na niet tot de voorste rand van het oog. De rug
is donkergroen tot blauwgroen, de flanken zijn zilverachtig met
duidelijke donkergrijze lengtestrepen (een 7 tot 8-tal). De buikzijde
is zilverwit.

Harders hebben twee rugvinnen die niet tegen elkaar aansluiten.
De voorste rugvin heeft vier stralen.
De diklipharder wordt 50 tot 75 centimeter groot (max. 90 cm).
Zijn gewicht bedraagt 2 tot 4 kg (max. 8 kg).
De "Commissie Europese Gemeenschap voor Visserij" maakt geen
onderscheid tussen de 8 verschillende Europese soorten harders.
Lokaal wordt de harder wel eens herder genoemd.
In de lente trekt de harder naar het noorden, op zoek naar voedsel,
en trekt hierbij de zeearmen en havens binnen. In de herfst trekt
hij terug naar het zuiden. Hij voedt zich met organische deeltjes
(detritus) die in de modder zitten en afkomstig zijn van dierlijke
en plantaardige resten. Hij graast als het ware de bodem af en
wordt daarom wel eens planteneter of algeneter genoemd. Maar dat
is niet helemaal juist. Tijdens het grazen verorbert hij immers
ook kleine, op de bodem levende diertjes. Zelfs kleine visjes
die voorbij zwemmen versmaadt hij niet.
Tijdens het grazen hapt de harder zand naar binnen, samen met
water. Hieruit filtert hij de eetbare organismen, via dicht bij
elkaar staande kieuwdeksels, en spuwt de rest (het zand) terug
uit. Daarna gebruikt de harder zijn tanden in de keelholte om
de laatste druppels water uit de voedselprop te drukken. Het voedsel
wordt verteerd in een gespierde maag met dikke wanden en in een
darm van indrukwekkende lengte. Volwassen harders eten dag en
nacht. Voortdurend gaan ze met hun bek over de bodem; de kop vormt
daarbij een hoek van ongeveer 45 graden met de ondergrond. De
jonge vissen voeden zich voornamelijk met zoöplankton (dierlijk
plankton). Dit doen ze overdag, want ze hebben er licht bij nodig.
Zeebaars
De zeebaars (Dicentrarchus labrax) die bij ons voorkomt wordt
in het Engels "European seabass" genoemd. In sommige boeken noemen
ze deze zeebaars de "wolfbaars". Soms wordt de zeebaars, met lucratieve
bedoeling, "witte zalm" genoemd. De zeebaars is een waardevolle
en zeer smakelijke consumptievis die ook enorme waarde heeft in
de medische sector (vooral de ingewanden hebben medische waarde).
Hij komt veel voor - in kleine scholen - boven modder-, zand-
en rotsbodem, maar ook verscholen in wrakken. Ook dringt hij het
brakke water binnen van estuaria (wijde riviermondingen).
Zeebaarzen paaien in de vroege zomer, in de kustwateren. Het
zijn vraatzuchtige roofvissen. Jonge vissen voeden zich met schaaldieren,
wormen, kleine bodemvissen en inktvissen. Oudere dieren jagen
vooral op vis.

De zeebaars wordt 40 tot 80 centimeter lang, uitzonderlijk 1
meter (bij een gewicht van 10 kg). Hij is direct te herkennen
aan de twee rugvinnen die aansluiten tegen elkaar. De eerste rugvin
telt 8 tot 9 flinke stekels. Meestal ligt de eerste rugvin plat
als hij ons voorbij zwemt. Op het kieuwdeksel heeft hij een donkere
vlek, die echter niet altijd duidelijk waar te nemen is. De onderrand
van het kieuwdeksel is gestekeld. De vis is volledig zilvergrijs
tot blauwachtig zilver; de rug is grijsachtig, de flanken zijn
zilverkleurig en de buik is zilverwit. Op zijn flank heeft hij
in de lengte een zijlijn. Jonge exemplaren vertonen zwarte stippen.
Vrij nieuwsgierig
Doordat de zeebaars vrij nieuwsgierig is, zie je vaak een school
rondom je heen cirkelen terwijl je stil blijft liggen op de bodem.
Je kan ze voederen met stukjes oester, maar eigenlijk kan je dit
beter niet doen. Je mag immers in het natuurreservaat "de Oosterschelde"
geen dieren doden, en oesters zijn dieren. Duikplaatsen waar duikers
gepasseerd zijn die toch niet konden weerstaan aan het voederen
van zeebaarzen, vallen direct op door de troosteloze aanblik van
witte binnenkanten van lege oesterschelpen. Nog een reden om de
dieren niet te voederen is dat je de natuur verstoort - met allerlei
onbekende gevolgen - als je dieren gaat voederen, die normaal
zelf achter hun voedsel jagen.
Ivo Madder - september 2000
Geraadpleegde bronnen:
Vissen van de Europese kustwateren en de Middellandse Zee (ISBN
90 226 1089 6).
Vissengids Middellandse Zee en Atlantische Oceaan (ISBN 90 70206
61 7).
Vissen (ISBN 90 366 0277 7).
De Atlantische Oceaan, De Noordzee en het Kanaal (ISBN 90 257
3138 4).
Home | Prikbord
(forum) | Vraag info
| Biologie | Gastenboek
| Zoeken
Deze website komt het best tot
zijn recht bij een resolutie van 1280 x 1024 pixels
|