Snotolf (snotdolf)

STEEKKAART

Stam (phylum) :
  Centraal zenuwstelsel (Chordata)
Onderstam (subphylum) :
  Gewervelden (Vertebrata)
Orde (ordo) :
  Scorpaeniformes
Onder-orde :
  Cottoidei
Familie :
  Donderpadachtigen (Cyclopteridae)
Soort :
  Snotolf (Cyclopterus lumpus)
Verspreiding :
  Noordelijk deel van de Atlantische
  oceaan tot 45° NB, Oostzee, het Kanaal,
  Noordzee, Oosterschelde, Golf van Finland
Habitat :
  Rotsig substraten tussen 50 en 200 m diepte
  (max. 300 m).
Grootte :
  Mannetje: 25-30 (max. 50) cm
  Vrouwtje: 30-40 (max. 60) cm
Gewicht: 1-5 (max. 6) kg
Voedsel :
  Schaaldiertjes, jongen van andere vissen,
  planktondieren, borstelwormen

Tekst : © Ivo Madder

Foto: © Rudy Van Geldere

Snotolf

De Snotolf is een bodembewonende vis met een typische plompe lichaamsbouw. We kunnen de soort dus zeker niet met andere vissen verwarren. Volwassen mannetjes worden 25 tot 30 centimeter groot (max. 50 cm). Vrouwtjes worden groter dan de mannetjes: 30 tot 40 centimeter (max. 60 à 70 cm). Het gewicht varieert tussen de 1 en 5 kilogram (max. 6 kg). De bek en ogen zijn betrekkelijk klein ten opzichte van hun groot en breed lichaam. Ze hebben geen schubben maar zijn gewapend met beenplaten. Deze benige uitgroeisels vormen vier lengterijen: één langs de rug, de tweede vanaf het oog naar de staart, de derde vanaf de mondhoek naar de staart en de vierde vanaf de basis van de borstvinnen naar de basis van de aarsvin. Jonge exemplaren hebben twee rugvinnen. Bij de oudere dieren lijkt de eerste rugvin gereduceerd en opgenomen te zijn in het lichaam. De aarsvin is ongeveer even lang als de tweede rugvin. De buik-vinnen vormen een ronde zuignap onder het lichaam. Het mannetje heeft witte driehoeken achter de borstvinnen. Dit zouden eiwitvormende cellen zijn, die als voeding voor de jongen dienen.
Alle soorten van de familie "Cyclopteridae", waartoe de Snotolven en Slakdolven behoren, hebben een kraakbeenachtig skelet, dat ontstaat door onvolledige verkalking van het skelet. Kleine, onvolwassen dieren zijn geel tot olijfgroen van kleur en hebben een zilveren of donkergrijze streep op de kop. De jongen verschuilen zich vaak tussen en op de wieren langs de kust of in de getijdepoeltjes. Als er zich veel Iers mos in de getijdepoeltjes bevindt, is hun kleur bruinrood. Als ze ouder dan één jaar zijn, bevinden ze zich hoofdzakelijk in open zee. Volwassen exemplaren zijn blauwgrijs van kleur. Van onderen zijn ze lichter van kleur dan bovenaan. In de paaitijd worden de buik en vinnen van het mannetje roze tot steenrood en wordt de rug bijna zwart. Soms is zijn paaikleed volledig oranje tot rood met een steenrode buik. Buiten de paaitijd verbleken de felle kleuren van het mannetje zeer snel en de dieren worden terug groenachtig-grijs.
Deze bodemdieren leven gewoonlijk op een rotsig substraat tussen de 50 en 200 meter diepte, ver uit de kust. De maximale diepte waar men ze kan aantreffen is 300 meter. Met de buikvinnen, die tot zuigschijf vergroeid is, zitten ze vaak aan rotsen vastgezogen. Als ze worden opgehaald in een net, dan zit er vaak een dikke steen aan hun buik. Op de Snotolf wordt vooral in de Scandinavische landen en IJsland gevist omwille van de kuit, die als surrogaat voor kaviaar wordt geëxporteerd onder de naam "Duitse kaviaar" of lompviseieren. Ze komen voor in de Atlantische Oceaan ten noorden van Portugal, het Kanaal, de Noordzee, de Oostzee en in de paaiperiode tot in de golf van Finland en de Oosterschelde. Ze bereiken een maximale leeftijd van ongeveer dertien jaar. Snotolven eten schaaldiertjes, jongen van andere vissoorten, grote planktondieren zoals zeedruiven en tijdens de trek naar de paaiplaatsen veel bodem-organismen zoals borstelwormen. De Snotolf dankt zijn naam aan het feit dat hij massa's planktondieren verorberd, die tezamen op een gelatineachtige massa lijken. De Snotolf wordt ook wel eens Snotdolf genoemd. Dit komt door een gedeeltelijke naamsverwisseling met zijn soortgenoot de Slakdolf. 

Voortplanting van de Snotolf

Ieder jaar, als het water nog koud is, komen ze uit de open zee naar het ondiepe kustwater om er zich voort te planten. Het paaien, in de buurt van stenen en rotsen, gebeurt - afhankelijk van de breedteligging - in de winter of in het voorjaar (februari - maart), in de wierzone bij temperaturen tussen 5° en 8° Celsius. Op een leeftijd van vier tot vijf jaar gaan de Snotolven voor het eerst naar hun paaigebieden. Proeven hebben aangetoond dat deze vissen het vermogen hebben om steeds naar dezelfde plek terug te keren om te paaien, zelfs als ze hiervoor zeer lange afstanden moeten afleggen. Hoe ze dit doen is niet bekend.
Buiten het paaikleed, om vrouwtjes te lokken, zouden de mannetjes ook geluiden produceren. Hiermee zouden ze de vrouwtjes akoestisch kunnen lokken.
Tijdens het paairitueel maakt het mannetje een kuil ter hoogte van de laagwaterlijn, waarin het vrouwtje haar eitjes kan deponeren. Het vrouwtje legt 80.000 tot 200.000 kleine roze eitjes in een kuil, holte of rotsspleet. Deze worden onmiddellijk bevrucht door het mannetje. De eitjes worden in meerdere keren afgezet en plakken stevig aan elkaar. Hierdoor vormen ze één groot, taai legsel. Als het vrouwtje haar eitjes heeft afgezet, trekt ze terug naar dieper water. Het mannetje blijft bij de eitjes om ze te verdedigen en er regelmatig zuurstofrijk water over heen te voeren. Hiertoe waaiert hij met zijn borstvinnen en staart over de eitjes of blaast er water overheen met zijn mond.
Het mannetje blijft gedurende twee maanden - totdat de eitjes uitkomen - op zijn post. Hij verlaat het broedsel niet of nauwelijks meer dan één meter, zelfs niet om te eten. Ze schrikken er niet voor terug om eventuele belagers van het legsel met verbazingwekkende agressiviteit aan te vallen. 
Veel mannetjes vinden de dood tijdens hun wacht. Bij eb valt het legsel, samen met de vader, soms vrijwel droog en is dan blootgesteld aan de aanval van zeevogels. Bij vloed is er het gevaar van grote vraatzuchtige vissen. Tijdens de voorjaarsstormen wordt het mannetje soms aan wal gesmeten met de steen waaraan hij vastgezogen zit. Ondanks al deze bedreigingen weet de soort zich goed te handhaven en is hij bij ons vrij algemeen.
De jongen komen compleet met zuigschijf ter wereld en zijn vijf millimeter groot. Naar het schijnt blijven de jongen nog een tijdje bij hun vader, waarbij ze zich vastgezogen aan zijn lichaam ten goede doen aan de eiwitvormende cellen welke zich bevinden achter de borstvinnen van het mannetje.
De Snotolf geeft de voorkeur aan een lage watertemperatuur en trekt bijgevolg 's zomers bij ons weg.

De Snotolf in het aquarium

Snotolven dienen gehouden te worden bij een watertemperatuur van minder dan 15° Celsius. 
Kleine exemplaren kunnen geruime tijd gehouden worden als er zich geen grote vissen in de buurt bevinden.
Zorg voor stenen in het aquarium, zodat de Snotolf er zich aan kan vastzuigen. 
De jongen verschuilen zich graag tussen wieren.

 

 

Verschillende benamingen

Nederlands : Snotolf, Snotdolf
Lokaal: Strontvis, Strontvreter
Duits : Seehase
Frans : Lompe
Engels : Lumpsucker, Lumpfish, Sea-Hen
Deens : Stenbider

Foto: © Rudy Van Geldere

 

   Eieren van de snotolf
(Foto: © Rudy Van Geldere)

 

Voor meer foto's over de Snotolf, ga naar de pagina Vissen.

Meer info over de snotolf vind je bij:Duikminnende Vissenkaarten

 

Copyright © 2000 - 2011 www.seamasters.be
The SeaMasters vzw - RPR 0451.302.002