Harnasmannetje

Agonus cataphractus

Foto: © Jos Audenaerd

Het Harnasmannetje wordt door sommigen wel eens Neushanger genoemd.
De bodemvis Agonus cataphractus heeft op de bruine rug en flanken,
vier donkere strepen die niet altijd even goed zichtbaar zijn.
Op de lichtkleurige buik en de geelachtige vinnen zitten soms donkere vlekken.

De paaitijd is van februari tot mei.
Het wijfje zet haar kuit (500 - 2500 eitjes) af op bruine wieren.
De geel tot oranjekleurige eitjes zijn redelijk groot en worden omhuld door
een dik vlies. Het duurt wellicht een jaar vooraleer de eitjes uitkomen.
De larven drijven in het water en trekken maar pas naar de bodem als ze
20 mm lang zijn. Daar brengen ze dan de rest van hun leven door.
De pootvissen eten aanvankelijk plankton en later op de bodem levende
schaaldiertjes, borstelwormen, weekdieren en slangsterren.
Na een jaar zijn ze 6 à 7 cm groot en nog een jaar later zijn ze 10 tot 11 cm groot.
Op hun derde of vierde levensjaar zijn ze geslachtsrijp.
Volwassen exemplaren zijn 10 tot 15 cm groot (max. 22 cm).

In de winter vertoeft het Harnasmannetje op grote diepten (tot op 270 m).
Tijdens het voorjaar en in de zomer vinden we hem in de kuststrook op 20 tot 70 m.
Hij heeft de voorkeur voor zandbodems, maar op stenen kan hij het ook uithouden.
Dit visje wordt vaak aangetroffen in de netten waarmee men garnaal vangt.
Voor de visserij is de Neushanger van geen enkel belang.

Copyright © 2000 - 2006 www.seamasters.be
The SeaMasters vzw - RPR 0451.302.002