Teredo navalis
.
Foto: © met dank aan 'the U.S. Geological Survey'.
Biologen waren vroeger van oordeel dat de paalworm het hout niet eet, maar enkel als schuilplaats gebruikt. Tegenwoordig weet men dat de paalworm in symbiose leeft met bepaalde bacteriën die cellulose kunnen verteren en via deze weg verkrijgt de paalworm een deel van zijn voeding. Naarmate de paalworm groeit wordt de gang steeds verder uitgeboord. De lengte van een volwassen paalworm varieert per soort van 40 tot 120 cm. De wanden van de boorgang worden met een kalklaagje bedekt. De boorgang loopt ongeveer parallel aan de houtvezels, tenzij er op die plaats een gang van een andere paalworm loopt. In dazt geval is het dier genoodzaakt om - over een meestal betrekkelijk korte afstand - in een andere richting verder te boren. Voorbij het obstakel wordt de vezelrichting weer aangehouden. Typisch is dat gangen van verschillende paalwormen nooit in elkaar overgaan.
De twee mantels aan weerszijden van het lichaam, waartussen zich de kieuwen bevinden, zijn naar achteren buisvormig uitgegroeid. Aan het eind van de kieuwen bevinden zich twee dunne pijpjes, de sifons, die enige centimeters uit een opening in het hout naar buiten steken. De ene buis dient voor de ademhaling en de opname van het voedsel (plankton), de andere voor de afvoer van zuurstofarm water en de excrementen.
De paalworm kwam oorspronkelijk voor in Oost-Azië, maar werd in de 18e eeuw met houten schepen onopzettelijk naar Europa meegebracht. In Nederland werden omstreeks 1730 de toenmalige houten dijkbeschoeiïngen ernstig aangetast. Om overstromingsrampen te voorkomen, moest men de houten dijkbeschoeiïngen door zware stenen vervangen.
De paalworm vormde ook een ernstige bedreiging voor houten schepen. Deze werden wel met teer of creosootolie geïmpregneerd of met koperen platen beslagen om de romp tegen de paalworm te beschermen.
Tekst: Ivo Madder.
Copyright © 2000 - 2011 www.seamasters.be
The SeaMasters vzw - RPR 0451.302.002