Is er een woord waarvan je graag de
betekenis zou weten, maar dat niet in deze lijst staat?
Stuur dan een e-mail naar onze duikschool
en het woord wordt toegevoegd
(als het tenminste in deze rubriek thuishoort).
Copyright 2000 Duikschool © The SeaMasters v.z.w.
Deze pagina is nog in opbouw.
Doorvoer in de huid van een schip, waarin de ketting/schacht van het anker in opgesloten wordt.
Lijn waarmee de ankerboei aan het kruis van het anker is
bevestigd om het anker o.a. gemakkelijk te kunnen
uitbreken. Heeft hetzelfde doel als de neuringlijn,
maar deze is niet aan een ankerboei bevestigd.
Is de kracht die een schijnbare versnelling geeft aan een massa die in
beweging is ten omzichte van een draaiend
voorwerp.
Een knoop is de maat voor snelheidsbepaling op zee.
1 knoop = 1 zeemijl per uur = 1852 m/h = 1,852 km/h
Een handig regeltje dat je kan gebruiken om snel knopen om te zetten naar km/h
is:
(aantal knopen x 2) - 10 % = ±
aantal km/h
Je hebt kettingen met kleine schakels en kettingen met grote
schakels.
Het verschil zit 'm in het gewicht; bijvoorbeeld:
kortschalmig (staal) = 5 mm = 0,49 kg/m
kortschalmig (inox) = 5 mm = 0,45 kg/m
kortschalmig (staal) = 6 mm = 0,73 kg/m
kortschalmig (staal) = 8 mm = 1,31 kg/m
kortschalmig (inox) = 8 mm = 0,70 kg/m
langschalmig (inox) = 4 mm = 0.28 kg/m
Hogerwal: die kust of oever waar wind en golven vandaan komen.
Lagerwal: die kust of oever waar wind en golven naar toe gaan.
Wanneer de wind naar de dijk gericht is (lagerwal), kan door de branding een
strook troebel water ontstaan.
Nochtans komt het dikwijls voor dat deze strook slechts enkele meters breed en
diep is, en dat er daaronder prachtig
helder of redelijk helder water
voorkomt. Om zeker te spelen kan men best duiken op een plaats waar de wind niet op
de
dijk gericht staat (hogerwal).
Een lijn vanaf het kruis van het anker naar het dek, om het
anker gemakkelijk te kunnen uitbreken.
Heeft hetzelfde doel als een boeireep,
maar deze is aan een ankerboei bevestigd.
De kaart van de Noord-Atlantische Oceaan noemen we een overzeiler.
Deze kaart mag niet voor navigatie gebruikt worden, omdat ze veel te
onnauwkeurig is; er staat geen enkel detail op.
Wel kunnen we onze bestekken erop uitzetten.
Ook bruikbaar voor het bepalen van de variatie.
Zeegang is een cijfer (van 1 tot 9) dat de hoogte van de
golven (in meter) weergeeft.
Deze golfhoogte wordt veroorzaakt door de heersende
wind.
Zeegang
is niet hetzelfde als de Schaal van Beaufort,
welke de windkracht weergeeft.
Om de toestand van de zee weer te geven kan men
i.p.v. de zeegang, de Schaal
van Petersen
hanteren.
Zeegolven die niet meer onder invloed staan van de wind die hen aanvankelijk
verwekt hebben, hetzij doordat die
wind zich naar elders heeft verplaatst of is
verdwenen, hetzij doordat de golven uit het windveld zijn gelopen,
noemt men
deining.
Karakteristiek voor de deining - in tegenstelling met zeegang - is dus dat zij
(wat haar ontstaan betreft) onafhankelijk
is van de ter plaatse op hetzelfde
moment heersende wind of afwezigheid van wind.
De hoogte van de golven vermindert geleidelijk aan, terwijl hun lengte
vermeerdert. Een aldus gevormde deining kan
duizende mijlen afleggen. Zo kan men
bij mooi zonnig weer en windstilte een deining ondervinden. Men kan er dan
zeker
van zijn dat ergens de dag voordien de wind sterk gewaaid heeft. Zulke deining
kan zelfs de voorbode zijn
van slecht weer: zij kan soms door haar snelheid de
wind, die haar oorspronkelijk veroorzaakt heeft, voorafgaan.
Fetch is de uitgestrektheid van het wateroppervlak waarover de wind waait in éénzelfde
richting.
Voor een gegeven "windsnelheid" en "duur van de wind" zullen
hoe langer de "fetch", de golven groter en hoger
worden tot het
bereiken van een zeker maximum. Bij korte fetch (bv. enkele zeemijlen) zal de
uitwerking van de wind
relatief klein zijn, ongeacht de windsnelheid of duur.
Dit verklaart waarom de golfslag op het IJsselmeer of de
Middellandse Zee of het
Kanaal meestal kort en niet bijzonder hoog is, terwijl in Bretagne veel hogere
en tevens
langere golven worden aangetroffen.
De grootste boosdoender is Phaeocystis pouchetii. Het is een kleine flagellaat die in het late voorjaar het
fytoplanktonbeeld geheel kan domineren. Hierdoor wordt het zicht slecht en spreken we over "de bloei zit in 't water".
De duur van de voorjaarsbloei is
significant toegenomen in de periode 1973-1985. Het vervelende van deze alg is dat hij,
door nog onbekende oorzaken, bij de ontwikkeling van een bloei overgaat tot het vormen van in slijmgevatte kolonies.
Deze kunnen uitgebreide schuimvorming
veroorzaken (die op de stranden aanspoelt) en, wat wellicht erger is, de
voedselketen verstoren. De kolonies zijn door hun grootte slecht eetbaar voor suspensie-eters zoals zoöplankton en
schelpdieren. Er is hier duidelijk sprake van een analogie met de rol van
blauwwier als Microcystis in de eutrofiëring
van zoete wateren.
Het woord getij is, evenals het Engelse woord tide en het Duitse woord
Gezeiten, afgeleid van het woord "tijd".
Dit geeft al aan dat het
getij onlosmakelijk is verbonden met de tijd. Dat is logisch als we bedenken dat
de basis van
de getijbeweging ligt bij de schijnbare bewegingen van de maan en
de zon om de aarde. Aangezien de bewegingen
van deze twee hemellichamen zeer
constant zijn, is het ritme van eb en vloed ook zeer constant.
Door de bodemconfiguraties, de vormen van de kusten en allerlei andere
neveneffecten kent de Noordzee een
ingewikkeld getijsysteem. Metingen langs de
Nederlandse kust laten onderlinge verschillen zien tussen hoog- en
laagwaterstanden.
Er zijn twee voorspellingsmethoden: de culminatiemethode en de harmonische
analyse. Beide methoden kennen als
eerste een getij-analyse, waarbij men aan de
hand van waarnemingen over langere tijd tabellen maakt. Vervolgens
kunnen
hiermee voorspellingen worden berekend.
In de getijdenboekjes die wij gebruiken om het getij op te zoeken in de
Oosterschelde wordt de harmonische
analyse gebruikt om een voorspelling te doen
over de hoog- en laagwater standen van een aantal lokaties langs
de Nederlandse
kust.
Voor meer info over getijden moet je bij de downloadpagina zijn.
Een staaf ijzer met een ring, om daar aan te leggen waar geen bevestigingsmogelijkheid op de wal aanwezig is.
Tsoenami is een zeer grote vloedgolf op zee. Tsoenami's worden veroorzaakt
door een zeebeving (een aardbeving
op zee) of door een onderzeese
vulkaanuitbarsting. In volle zee is de tsoenami nauwelijks waarneembaar.
Zijn
voortstuwingssnelheid is 800 km/h. De afstand tussen de golftoppen is zo'n 100
kilometer en deze golven zijn
nauwelijks hoger dan een meter. Een schip merkt
niet eens dat een tsoenami passeert.
Als deze vloedgolf de kust bereikt, neemt zijn snelheid af doordat de zeebodem
ondieper wordt.
Hierdoor wordt het water omhoog gestuwd. Het opgestuwde water
kan een hoogte van wel 30 meter bereiken.
Copyright 2000 Duikschool © The SeaMasters v.z.w. - http://www.seamasters.be