Zeegang
Met zeegang bedoelt men de zeegolven die beheerst worden door
de ter plaatse waaiende wind.
Dit in tegenstelling tot deining, die niet meer onder invloed
staat van het windveld.
De zeegang is dus karakteristiek voor de heersende wind, doch
is de zeegang - vooral wat zijn hoogte
en golflengte betreft - afhankelijk van de tijdsduur gedurende
de heersende wind op de golven
heeft gewerkt, alsook de lengte van de baan van het water waarover
deze wind waait:
de strijklengte of fetch.
De zeegang hangt met andere woorden hoofdzakelijk af van:
- de windsnelheid.
- de duur van de wind.
- de fetch (uitgestrektheid van het wateroppervlak waarover
de wind waait in éénzelfde richting).
Voor een gegeven windsnelheid en duur zullen hoe langer de fetch,
de golven groter en hoger worden
tot het bereiken van een zeker maximum (afhankelijk van de windkracht).
Bij een korte fetch (bv. enkele
zeemijlen) zal de uitwerking van de wind relatief klein zijn,
ongeacht de windsnelheid of duur.
Dit verklaart waarom de golfslag op het IJselmeer, de Middellandse
Zee of het Kanaal meestal kort en
niet bijzonder hoog is, terwijl in Bretagne veel hogere en tevens
langere golven worden aangetroffen.
De zeegang wordt, zoals de Beaufortschaal,
door een codenummer aangeduid. De code loopt van 0 - 9.
De golfhoogte wordt aangeduid in meter.
Vergelijkende tabel
| SCHAAL
VAN BEAUFORT |
|
ZEEGANG |
|
SCHAAL
VAN PETERSEN |
| CODE |
Benaming
|
m/s |
knopen |
km/u |
|
CODE |
Benaming |
Golfhoogte
(m) |
|
CODE |
Benaming |
| 0 |
Stilte |
0
- 0,2 |
<
1 |
<
1 |
|
0 |
Vlak |
0 |
|
0 |
Spiegelglad |
| 1 |
Flauw
en
stil |
0,3
- 1,5 |
1
- 3 |
1
- 5 |
|
1 |
Kleine
golfjes
Zee heeft geschubd aanzien |
| 2 |
Flauwe
koelte |
1,6
- 3,3 |
4
- 6 |
6
- 11 |
|
1 |
Kabbelend |
0
- 0,1 |
|
2 |
Kleine,
korte, maar beter
gevormde golven
Golven hebben glasachtig aanzicht |
| 3 |
Lichte
koelte |
3,4
- 5,4 |
7
- 10 |
12
- 19 |
|
2 |
Licht
golvend |
0,1
- 0,5 |
|
3 |
Kleine
golven met brekende
toppen en witte schuimkopjes |
| 4 |
Matige
koelte |
5,5
- 7,9 |
11
- 16 |
20
- 28 |
|
3 |
Golvend |
0,5
- 1,25 |
|
4 |
Kleine,
langere golven
en vrij veel witte schuimkoppen |
| 5 |
Frisse
bries |
8,0
- 10,7 |
17
- 21 |
29
- 38 |
|
4 |
Zee |
1,25
- 2,5 |
|
5 |
Matige
golven van veel grotere lengte
Opwaaiend schuim en
overal witte schuimkoppen |
| 6 |
Stijve
bries |
10,8
- 13,8 |
22
- 27 |
39
- 49 |
|
5 |
Aanschietende
zee |
2,5
- 4 |
|
6 |
Grotere
golven
Overal brekende koppen
Witte schuimplekken
Veel opwaaiend schuim |
| 7 |
Harde
wind |
13,9
- 17,1 |
28
- 33 |
50
- 61 |
|
6 |
Wilde
zee |
4
- 6 |
|
7 |
Hogere
golven
Wit schuim vormt strepen in richting van de wind
Overal brekende koppen
Veel opwaaiend schuim |
| 8 |
Storm-
achtig |
17,2
- 20,7 |
34
- 40 |
62
- 74 |
|
8 |
Matig
hoge golven met aanmerkelijke kamlengte
Golftoppen waaien af en vormen goed
gevormde schuimstrepen in richting van de wind |
| 9 |
Storm |
20,8
- 24,4 |
41
- 47 |
75
- 88 |
|
9 |
Hoge
golven met zware schuimstrepen
Rollers beginnen zich te vormen
Slecht zicht door verwaaid schuim |
| 10 |
Zware
storm |
24,5
- 28,4 |
48
- 55 |
89
- 102 |
|
7 |
Hoge
zee |
6
- 9 |
|
10 |
Zeer
hoge golven met lange
overstortende en schuimende golfkammen
Zware overslaande rollers
Grote oppervlakten schuim
Zee ziet wit van schuim
Verwaaid schuim vermindert het zicht |
| 11 |
Zeer
zware
storm |
28,5
- 32,6 |
56
- 63 |
102
- 117 |
|
8 |
Zeer
hoge zee |
9
- 14 |
|
11 |
Buitengewoon
hoge golven
Zee geheel bedekt met lange schuimstrepen
De randen van de golfkammen verwaaien overal
Kleine schepen verliezen elkaar uit het zicht
Sterk verminderd zicht |
| 12 |
Orkaan |
>32,6 |
>63 |
>117 |
|
9 |
Buitengewoon
hoge en
wilde zee |
>
14 |
|
12 |
Lucht
vol schuim en verwaaid zeewater
Zee ziet volkomen wit door schuim
Het zicht op korte afstand is verdwenen |
Zie schaal van Petersen
voor foto's over de toestand van de zee.
Duikregel
Bij een zeegang van meer dan 4 op de duikplaats wordt er NIET
gedoken.
Het is dus best mogelijk dat er een wind waait met een kracht
van 6 Beaufort, terwijl op de duikplaats
een zeegang 3 heerst. Dit is bv. mogelijk als we beschut liggen
achter een groot eiland.
Om naar de duikplaats (achter het eiland) te geraken, zal men
dan wel een zee moeten doorkruisen met
een zeegang 5 (met golven van 2,5 tot 4 meter hoog).
Omgekeerd is het best mogelijk dat er bij een windkracht van
3 Beaufort niet kan gedoken worden
omdat er een zeegang heerst van meer dan 4 op de duikplaats zelf.
Dit kan o.a. voorkomen wanneer de
windrichting frontaal tegen een hoge deining
opbotst.
Home | Prikbord
(forum) | Vraag info
| Biologie | Gastenboek
| Zoeken
Deze website komt het best tot
zijn recht bij een resolutie van 1280 x 1024 pixels
|